Jongens van de Randstadrail

De jongens van de Randstadrail (Eerste prijs thrillerwedstrijd Zoetermeer)

De eerste prijs gaat naar een verhaal, gesitueerd rondom een echt Zoetermeers fenomeen: de Randstadrail. De jury was onder de indruk van de combinatie van kwaliteiten. Een heldere opbouw van verhaal en spanning en een mooi taalgebruik. De onverwachte wending geeft het verhaal nog eens moraal. Deze inzending is meer dan gewoon een spannend verhaal. Het gaat namelijk ook over onze samenleving en hoe snel mensen soms met een oordeel klaar staan. Daarnaast was het een van weinig verhalen waarin de personages echt op typerende wijze worden neergezet. Yvonne Kersten wint met De jongens van de Randstadrail de eerste prijs!

De jongens van de Randstadrail

De deuren van de Randstadrail schuiven zacht zoevend dicht. Onder mijn voeten voel ik de wielen ritmisch wegtikken over de rails. Ik loop het lege achterdeel in en schuif op een bank. Ik zet mijn tas op schoot, klem mijn handen erom heen en sluit mijn ogen om de duistere schaduwen achter de ramen buiten te sluiten. In het donker over straat lopen is niets voor mij.

Bij de volgende halte stappen drie jongens in. Petjes in de kleinste stand hoog op het hoofd en broeken laag op de heupen met het kruis tussen de knieën. Als ze voorbij lopen, valt mijn blik op gespierde billen in een strakke felgekleurde boxershort. Goddank mag hun onderbroek wel op normale hoogte blijven hangen, denk ik.

‘Lekker hè, mevrouwtje.’ De jongen wielbelt met zijn felgele achterste. Ik kijk op in een sproetig gezicht. Onder zijn pet pieken blonde haren slordig alle kanten op. De knul grijnst, geeft me brutaal een knipoog en grijpt demonstratief naar zijn kruis. ‘Ik heb wel zin in je.’

Zijn vrienden schateren het uit. Hun donkere ogen schitteren. Ik wend mijn hoofd af en staar met rode kaken naar de voorbijflitsende donkere gebouwen. Laat ze alsjeblieft doorlopen.

Ik sta al bij de deuren voordat een monotone stem meldt: ‘De volgende halte is Voorweg Hoog.’ Sissend schuiven de deuren open. Twee deuren verder betreden de drie jongens het perron. Aarzelend stap ik uit en wacht tot ze de brug op lopen. Als het drietal uit zicht is, steek ik het perron over en daal de trap af naar de fietsenstalling. Onder de brug weerklinken mijn voetstappen tegen de betonnen muren. Een tl-lamp bungelt aan een paar draadjes boven mijn hoofd en tekent vervormde schaduwen op de muur. Ik grabbel in mijn handtas naar mijn fietssleutel. Speurend in het halfduister probeer ik mijn fiets van de rest te onderscheiden. Waar staat dat kreng nou. Mijn oog valt op een doorgeknipt kettingslot. ‘Shit.’ Gejat. Mijn handen worden klam. Nu moet ik lopend naar huis. Met trillende vingers stop ik mijn sleutels in mijn tas en steek de nagenoeg verlaten weg over. Ik houd mijn blik stak gericht op de door lantarens verlichte plekken. Boven mijn hoofd hoor ik de jongens luidkeels schreeuwend over de brug lopen. Met veel kabaal schoppen ze een leeg blikje over en weer. Ik versnel mijn pas en loop het tussen de bomen verscholen fietspad op.

Achter me sterft het geluid van het stuiterende blikje weg. Ik kijk over mijn schouder. Drie grote schaduwen vullen het fietspad. Een van de jongens fluit. De anderen schreeuwen schunnige opmerkingen. Hun voetstappen klinken steeds luider als ze de afstand tot mij verkleinen. Ik krimp ineen bij een luide knal, en kijk om. De prullenbak, waar ik een paar seconden eerder langs liep, is gesneuveld. Ik dwing mezelf in een normaal tempo door te lopen. Iets verder duik ik rechtsaf een paadje in, dat dwars door de brede groenstrook loopt. Het bonken van mijn hart weergalmt in mijn hoofd. Nog een keer kijk ik om. De jongens volgen het fietspad. Ik blijf staan en giechel mijn zenuwen weg. Waarom zouden die gasten het op mij gemunt hebben? Ze gaan gewoon een avondje uit.

Pas als ik de jongens niet meer hoor, keer ik terug naar het paadje langs het fietspad. Nog maar een paar honderd meter, dan moet ik linksaf door de fietstunnel.

De lantarens werpen net genoeg licht om te kunnen zien waar ik loop. De bomen en struiken zijn nagenoeg kaal. Het pad is bezaaid met dorre bladeren. Bij elke stap ritselt het zacht onder mijn voeten. Plotseling gekraak van takken bezorgt mij hartkloppingen. Een vogel vliegt luid klapwiekend over het pad. ‘Het is maar een duif, tut’, mopper ik op mezelf. Dan hoor ik geritsel in de hoge struiken naast mij. Iets sneller dan daarvoor loop ik verder. Er kraken takken schuin achter mij. Ik verstijf en knijp in het hengsel van mijn handtas. Mijn knokkels steken wit af tegen het zwarte leer. Mijn ledematen weigeren mijn bevelen op te volgen. Ik staar naar de kalende struiken. Met veel kabaal komt iets recht op mij af. Ik doe een houterige stap achteruit en bots tegen iets stevigs aan. Twee armen worden om mij heen geslagen. Een stem vlakbij mijn oor zegt: ‘Hij is groot, maar hij….’

Ik gil, ruk me los en ren zo hard ik kan richting de fietstunnel. Achter mij klinkt gehijg. Luide voetstappen volgen. Een hoge fluittoon snerpt door de nacht. Slippend komt mijn achtervolger tot stilstand. Ik verdraai mijn nek bijna als ik achterom kijk.

Een grote hond stuift richting zijn baasje. De man heft zijn hand op. ‘ Sorry, hij doet echt niets hoor.’

Hijgend kom ik tot stilstand. Ik buig m’n hoofd, steun met mijn handen op mijn knieën en onderdruk een snik. Idioot die ik ben. Het is gewoon iemand die zijn hond uitlaat.

Bij de ingang van de fietstunnel blokkeren donkere gestalten mij de weg. De jongens uit de rail, hun gezichten verborgen in de schaduw van hun hoofddeksel. Een van hen legt zijn hand op mijn schouder. Ik deins achteruit.

Met een verontschuldigend gebaar heft de jongen heft zijn handen op. ‘Hé, mevrouwtje uit de trein. We moeten naar een feestje. In een boerderij of zo. Weet u waarheen?’

Ik knipper met mijn ogen en voel een traan over mijn wang glijden. Met trillende vingers veeg ik hem weg en schraap mijn keel. ‘Ja,’ piep ik, ‘jullie zijn te ver gelopen. Het is vlak bij het station. Een groot gebouw, met mozaïekkoeien op de buitenmuur.’

De grootste knul van het stel leunt op de schouder van zijn donkere vriend en buigt zich naar mij toe. Ik zie hoe hij zijn wenkbrauwen optrekt.

‘Koeien op de muur?’ vraagt hij.

Ik knik.

‘Cool, bedankt.’ Ze maken aanstalten om door te lopen.

‘Wacht!’ Ik grijp de grootste jongen bij zijn arm. ‘Kunnen jullie wat voor mij doen?’

Hij schuift zijn pet achter op zijn hoofd en hijst zijn te laag hangende broek een eindje op. Zijn donkere ogen dwalen over mijn figuur. ‘Tuurlijk, schatje.’

‘Kunnen jullie meelopen naar mijn huis…’

De jongen grijnst. ‘Geen probleem chicky. Doen we graag.’ Hij slaat een arm om me heen en trekt me tegen zich aan.

Hij krijgt een duw van zijn vriend met de gele boxershort. ‘Laat haar met rust, man.’ Hij schudt met een snelle beweging van zijn hoofd het piekhaar uit zijn gezicht. ‘Wij gaan jou veilig thuis brengen.’

Geflankeerd door drie stoere mannen arriveer ik bij mijn huis. Ik kijk ze een voor een aan. In het licht van de lamp naast de voordeur, zien ze er een stuk onschuldiger uit.

‘Bedankt jongens. Veel plezier in de boerderij.’

Ze tikken tegen hun pet. ‘Is goed meisie. We zijn er om elkaar te helpen, toch?’

Ik kijk ze na totdat zelfs de gele boxershort door de duisternis wordt opgeslokt.

Ook op Facebook!