Vlinders en Prikkeldraad

In 'Vlinders en prikkeldraad' (2012) zijn drie korte verhalen van Yvonne Kersten opgenomen. Een daarvan is De  eerste ontmoeting.

De eerste ontmoeting

De bel gaat. In mijn haast om open te doen struikel ik in de hal over mijn achteloos neergegooide paraplu. Zwikkend op mijn hakken zoek ik steun bij de muur en mep bijna de vaas met tulpen van het gangkastje. Met trillende handen strijk ik mijn zwarte jurkje glad en haal diep adem. Na maanden mailen zal ik Daniël eindelijk ontmoeten.

vriendschapsbundel-kaftOp de galerij klinken snelle voetstappen. Ik schrik op van een dreun tegen de deur, gevolgd door een doffe klap op de vloer van de galerij. Is Daniël over mijn bloempot gevallen? De bel klinkt opnieuw en houdt dit keer lang aan. Vlug raap ik de ouderwetse zwarte paraplu op en mik hem in de daarvoor bedoelde bak. Haastig loop ik naar de deur. Ik tover een glimlach op mijn gezicht, vastbesloten die daar te houden ongeacht hoe Daniël er uitziet en doe open.

Mijn glimlach is niet bestand tegen wie er voor me staat. Ik grijp de deurknop steviger vast. Totaal in verwarring gaap ik de brunette aan, die nonchalant met haar schouder tegen de deurpost leunt. Mijn blik glijdt over haar knappe verschijning. Haar slanke lijf is gehuld in een laag uitgesneden tuniek en een witte legging. Ik sluit mijn mond als ik zie dat haar rechterhand, gestoken in een
latexhandschoen, een houten knuppel omklemt. Aan haar voeten liggen scherven afkomstig van mijn bloempot. De takken van wat een schitterende bloeiende struik was, liggen geknakt op de grond. Achter de kluit wortels en een hoop aarde is nog net een mannenschoen zichtbaar, waarvan de zool slijtage plekken vertoont.
‘Daniël?’ roep ik. Ik probeer te zien wie daar ligt, maar de vrouw belemmert mij het uitzicht. Vlak voor de schoen spat een rode druppel uiteen op de betonnen vloer. Bloed, dat traag van de houten knuppel afloopt.
 

Met een ruk hef ik mijn hoofd op en kijk in groenbruine ogen met sterk verwijde pupillen. Als een roofdier dat zich klaarmaakt voor de aanval staart de vrouw me aan. Mijn adem stokt. Ik laat de deurknop los. Instinctief doe ik een stap naar achteren en geef de deur een harde zet, om hem vlak voor haar neus dicht te slaan. Met een krakend geluid veert het gelakte eikenhout terug. De met bloed besmeurde knuppel zit klem tussen de stijl en de deur.
De deur wordt met geweld opengetrapt. Ik spring opzij. Met een knal kaatst hij tegen de muur van de hal. De vrouw stapt binnen.
Ik deins achteruit en zoek steun bij de muur. ‘Wie ben jij?’ breng ik uit. ‘Is het Daniël die daar ligt?’
De vrouw neemt mij van top tot teen op. ‘Ik ben wat jij nooit zult worden. De enige vrouw in Daniëls leven,’ zegt ze terwijl ze een stap in mijn richting doet. Ze verstevigt haar greep om de knuppel, waarvan het uiteinde over het parket sleept en er een roodbruin spoor achterlaat.
‘Je had toch niet verwacht dat ik hem zomaar zou afstaan?’ Ze ontspant een
voor een haar vingers om de knuppel stevig vast te grijpen en hoger op te tillen.
Ik houd haar bewegingen angstvallig in de gaten. Ze laat het stuk rondhout heen en weer zwaaien. Het hout tikt links en rechts de muur van mijn lange smalle hal aan. Mijn smetteloos witte behang wordt voorzien van roestbruine vegen.
Met trage stappen komt ze verder de hal in. Ik schuif in een zelfde tempo
langs de muur achteruit. Mijn keel wordt droog. ‘Ben jij zijn vrouw?’ vraag ik om tijd te winnen.

‘Dat had ik moeten zijn,’antwoordt de brunette. ‘Helaas beseft Daniël dat nog steeds niet en zal ik hem weer moeten helpen.’ Ze grijpt de knuppel met twee handen vast en zwiert hem over haar rechterschouder.
Alsof een ijzige kou me in zijn greep krijgt, begin ik onbeheerst te
trillen. Ik bevochtig mijn droge lippen terwijl ik mijn ogen niet van haar handen en het slaghout afhoud.
Houterig schuif ik dichterbij de deuropening van de keuken en zoek houvast bij de deurpost.
Zij omklemt de knuppel zo stevig dat haar roodgelakte nagels zich in haar
handpalmen graven.
Met moeite ruk ik mijn blik los van de bloedrode klauwen en kijk om me heen, in de hoop iets bruikbaars te vinden om me te verdedigen. ‘Waarmee moet je hem helpen?’ vraag ik. Mijn stem klinkt me onwerkelijk kalm in de oren.
‘Met de juiste keuze te maken natuurlijk. Een jaar geleden heb ik hem verlost van Liza,’ vertelt ze op een toon alsof ze ongedierte heeft bestreden. ‘Een dom wicht op wie hij verliefd dacht te zijn. Ze verdronk in zijn vijver. Daniël had heel wat uit te leggen aan de politie,’ grinnikt de vrouw. ‘Maar ze hebben niet kunnen bewijzen dat hij er iets mee te maken had. Ook niet bij de tweede eliminatie.’
Ik veeg mijn klamme handen af aan mijn jurk en probeer rustig te blijven ademen. ‘Is er nog iemand gestorven?’ vraag ik. Dit keer trilt mijn stem.
De vrouw perst haar lippen tot een witte streep. Met een ruk heft ze de knuppel op en slaat in een vloeiende beweging de vaas voorjaarsbloemen op het gangkastje aan diggelen. Glasscherven vliegen in het rond, water spat tegen de muur en druipt langs de geknakte tulpen in de paraplubak.
De paraplu! Ik span en ontspan mijn vingers en wacht het juiste moment af.
‘Drie maanden geleden trok er een volgend mokkel bij hem in,’ schreeuwt ze. Er verschijnt een scheve grijns op haar gezicht. ´Ze werd helaas niet meer wakker. Zuurstofgebrek opgelopen onder een dik donzen kussen.’ Ze kijkt me met samengeknepen ogen aan, de knuppel opgeheven om de volgende slag te kunnen uitdelen en knikt. ‘Jou moet ik ook kwijt.’

Nu! Als een rugbyspeler naar de bal, duik ik richting paraplubak, knal tegen het gangkastje en land half zittend op de grond. Glasscherven die verspreid door de gang liggen, dringen in mijn dijbenen en billen. Ik onderdruk een kreet van pijn en gris met mijn linkerhand de paraplu uit de bak. Als een speer houd ik hem met beide handen voor me uit, terwijl ik me vanuit een ongemakkelijke zithouding tegen de muur omhoog worstel.
De vrouw schudt meewarig haar hoofd. ‘Ach, je wilt je nog verdedigen.’ Ze grinnikt kort. Dan fronst ze haar wenkbrauwen. In opperste concentratie legt ze haar wapen over haar schouder alsof ze zich erop voorbereidt mijn hoofd zo ver weg te slaan dat ze een homerun kan maken. Ze heft de knuppel op en haalt uit. De klap slaat de paraplu uit mijn handen. Hij vliegt door de hal en ploft vervormd bij de voordeur op de grond. Te verbouwereerd om snel te reageren, ben ik te laat om de
volgende aanval te ontwijken. De knuppel ramt mijn schouder. Ik hap naar adem en zoek wankelend steun bij de muur die er niet meer is. Struikelend beland ik in de keuken. Met het slaghout in haar opgeheven handen komt de brunette achter me aan. Een uithaal, die mijn hoofd op een millimeter na mist, raakt de met zorg uitgekozen wijnflessen op de keukentafel.  Ze spatten op de keukenvloer uiteen. In pure doodsangst gris ik het dienblad met de voorbereide hapjes van het aanrecht en houdt het als een schild voor me. De knuppel versplintert moeiteloos het dunne hout.
Mijn armen tintelen van de klap. Ik geef een gil als ik de volgende slag zie aankomen. In een fractie van een seconde hef ik mijn armen op om de klap af te weren. Ik hoor een misselijk makend gekraak. Een vlammende pijn trekt door mijn arm. Mijn benen bezwijken onder me als ik zie dat het bot van mijn rechterarm door mijn vel steekt.
Met een demonische grijns op haar gezicht heft de vrouw nog een keer haar wapen. Ik hoor een suizend geluid, wanneer het rondhout de zijkant van mijn schedel raakt en afketst tegen het keukenkastje. Zilverkleurige schitteringen weerkaatsen als vuurwerk in de zee van rode wijn die zich verder uitspreidt over de keukenvloer. Contouren worden wazig en lijken te pulseren. Mijn blik glijdt opzij en dwaalt de gang in naar een streep wit licht, die een stekende pijn veroorzaakt in mijn hoofd. Ik knipper met mijn ogen. De wereld om mij heen wordt iets minder troebel.
Een schaduw kruist de lichtbaan. Twee felblauwe kijkers in een bebloed gezicht loeren de keuken in. Een hoog opgeheven paraplu in stevige knuisten wordt zichtbaar achter de vrouw die haar wapen optilt voor de fatale slag.
Een brul weerklinkt. De paraplu wordt met kracht omlaag gestoten.
De brunette spert haar ogen wijd open. Een verstikt geluid ontsnapt aan haar opengevallen mond. De knuppel valt uit haar krachteloze handen en doet de rode wijn opspatten als hij de vloer raakt. Met een kreun zakt ze door haar knieën en valt voorover. De paraplu staat kromgebogen in haar rug, met de metalen punt diep tussen haar schouderbladen.
Ik zie hoe een man de deurpost omklemt en zich op de vloer laat zakken. De rechterkant van zijn gezicht is blauw, zijn onderlip gescheurd. Uit een diepe hoofdwond sijpelt bloed via zijn wang op de kraag van zijn overhemd. Zijn beige broek is besmeurd met aarde. De zolen van zijn schoenen zijn aan vervanging toe. Langzaam draait hij zijn gezicht in mijn richting. Hij vertrekt zijn mond in een vage glimlach. ‘Hallo meisje,’ zegt hij zacht. ‘Sorry dat ik wat laat ben.’ Hij wijst met zijn kin richting het lichaam dat in een brij van liflafjes en de rode wijn ligt. ‘Ik had wat oponthoud.’
Ik barst in een hysterische lach uit. ‘Hallo Daniël.’ antwoord ik proestend. ‘Ik hoop dat je geen honger hebt. Iemand heeft zojuist het eten bedorven en de wijn bezoedelt.’

 

 

Ook op Facebook!